|
De gemeente Gemert-Bakel bestaat sinds 1 januari 1997 en is ontstaan door samenvoeging van de voormalige gemeenten Bakel en Milheeze en Gemert. Beide voormalige gemeenten hebben elk een eigen specifieke geschiedenis, maar blijken ook al lange tijd geleden met elkaar verbonden te zijn geweest.
Gemert Bij een eerste bezoek aan Gemert vallen twee zaken meteen op: het kasteel en de eigenaardige nederzettingsvorm, waarbij het centrum van het dorp aan de rand van de bebouwde kom ligt. Beide elementen hebben een eigen oorsprong en hangen met elkaar samen door de bijzondere geschiedenis van Gemert, die haar een unieke plaats geven in de historie van Brabant. Een tweede factor die het aanzien van Gemert sterk heeft bepaald, is de vestiging van de Duitse Orde. De Duitse Orde is van oorsprong een geestelijke hospitaalbroederschap, gesticht in het Heilig Land ten tijde van de kruistochten. In 1198 werd deze broederschap omgevormd tot een geestelijke ridderorde, die naast de hospitaaldienst ook krijgsdienst verrichtte. Hertog Jan was hierbij een van de belangrijkste personen. De Duitse Orde steeg in de dertiende eeuw internationaal snel in aanzien. Tal van gronden, goederen en privileges vielen haar ten deel. Zij mocht eigen priesters aanstellen en de Orde viel niet onder enige bisschoppelijke macht. Haar grote naam dankte zij vooral aan de stichting van een soevereine Ordestaat in Pruisen. In het gevolg van Hertog Hendrik van Brabant waren tal van hogere en lagere edellieden uit onze contreien meegetrokken. Door de toetreding van Rutger van Gemert, een van de Heren van Gemert, tot de Duitse Orde verwierf deze, naar wordt aangenomen, al vóór 1220 bezittingen in Gemert. Enkele tientallen jaren later beschikte de Duitse Orde over een "eigen huis" vermoedelijk in Handel, van waaruit haar inmiddels vermeerderde bezittingen door een commandeur werden beheerd. In de loop van de dertiende eeuw werd het her en der verspreid bezit buiten de Ordestaat in een aparte bestuursorganisatie ondergebracht. Gemert viel met de overige bezittingen in de Zuidelijke Nederlanden en het aangrenzende Rijngebied onder de landcommanderij Alden Biesen, gelegen nabij Bilzen in Belgisch Limburg. Haar rechtsgebied omvatte een twaalftal zogenoemde commanderijen waarvan die van Gemert uitgroeide tot de belangrijkste en rijkste commanderij. Hieraan gingen nog verscheidene conflicten met de lokale Heren van Gemert vooraf, die de steeds machtiger en rijker wordende Duitse Orde als een bedreiging voor hun positie ervaarden. Door de komst en bezitsuitbreiding van de Duitse Orde was de ‘vrije heerlyckheid Gemert’ immers een dubbele heerlijkheid geworden, met twee schepenbanken. Wrijvingen en conflicten leidden in 1363 tot een directe machtstrijd die in 1366 door tussenkomst van de Hertog van Brabant in het voordeel van de Duitse Orde werd beslecht. Daarmee verwierf de Orde de alleenheerschappij over Gemert. Op de politieke kaart van De Nederlanden nam Gemert sedertdien een aparte positie in als Vrije Soevereine Heerlijkheid der Duitse Orde. Omstreeks 1400 begon de Duitse Orde met de bouw van het kasteel, in het centrum van Gemert, waar ook de voormalige Heren van Gemert hun (houten) kasteel hadden. Hiermee trad een nieuwe fase in in de historie van Gemert. Gemert, het centrum van de Commanderije, werd uitgebouwd tot een regionaal centrum. Daarin paste de stichting van een zelfstandige parochie, onder patronaatschap van de Duitse Orde en los van de parochie Bakel, waartoe Gemert kerkrechtelijk behoorde. Dit kreeg in 1437 zijn beslag, waarna met de bouw van een nieuwe kerk kon worden begonnen. Onderdeel van dit plan was ook de verwerving van kerkelijke tienden en patronaatsrechten in verschillende plaatsen uit de nabije en wijde omgeving. In de periode van de Reformatie en Contra-Reformatie werd aan de betekenis van Gemert als regionaal geestelijk centrum een nieuwe impuls gegeven met de stichting in 1587 van de Latijnse School, meer in het bijzonder bedoeld als de vooropleiding van priesters. Evenals de naburige minitiatuurstaatjes, zoals Megen, het land van Ravenstein en de baronie van Boxmeer vormde Gemert een zelfstandige enclave binnen het territorium van de Republiek der Verenigde Nederlanden, waar de katholieke godsdienst zich nog vrijelijk kon ontwikkelen. In de zeventiende en achttiende eeuw was Gemert met Maastricht de enige plaats in de Nederlanden waar zowel de katholieke als de protestantse godsdienst vrij konden worden uitgevoerd. In 1795 moest de Duitse Orde plaats maken voor nieuwe machthebbers. Na een periode van afwisselend Frans, Bataafs en weer Frans bestuur trad Gemert met de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813 voorgoed in een nieuwe politieke constellatie. De Duitse Orde keerde niet meer in haar oude rechten en bezittingen terug. Aan de soevereiniteit van Gemert was definitief een einde gekomen. De financiële lasten die Gemert uit het verleden met zich mee sleepte, zetten haar achteruit in de economische opbouw van na de Franse Tijd. Toch slaagde men er in om er bovenop te komen. Vanaf de jaren veertig van de negentiende eeuw ging het weer geleidelijk bergafwaarts, de vele goede initiatieven van particulieren en overheid ten spijt. De ongunstige geografische ligging, wat de verbindingswegen betreft, ging Gemert en haar nijverheid steeds meer parten spelen. Zo werd Helmond in 1826 aan de Zuid-Willemsvaart en medio jaren zestig aan het landelijke spoorwegnet aangesloten. Gemert miste die aansluiting en men spande zich ten zeerste in het ongunstige tij te doen keren, maar de neergang in de nijverheid en de welvaart bleek moeilijk te stuiten. Ook het bevolkingsaantal liep terug. Hoewel er na de eeuwwisseling weer nieuwe kansen voor Gemert aanbraken, zette de wederopbouw pas in de jaren vijftig voorgoed door. In die jaren begon het dorp uit zijn jasje te groeien en vond een uitbreiding plaats in oostelijke en noordelijke richting. Als in zovele dorpen zijn in de naoorlogse jaren van wederopbouw, uit onbegrip en onderwaardering voor hun cultuurhistorische eigenheid tal van panden in slopershanden geraakt. Men spiegelde zich aan de nieuwe zakelijkheidstrend in de stedelijke architectuur, die als toonbeeld gold van dynamiek en vooruitgang. Hoewel in dit streven om met de nieuwe tijd mee te gaan veel van de eertijds voorname en rijke bebouwing aan de vooruitgang is prijsgegeven, zijn niettemin nog tal van waardevolle panden behouden gebleven. Zij geven nog een goed beeld van de bijzondere culturele en economische ontwikkeling die Gemert heeft doorgemaakt en bepalen in hoge mate de sfeer en het karakter van het dorp. Door een actief monumentenbeleid tracht de gemeente deze erfschat te behouden, zodat de bebouwde omgeving ook in de toekomst als een heem beleefd kan worden. Bakel en Milheeze Omstreeks 10.000 jaar voor Christus heerste er in ons land een toendraklimaat. In het gebied dat Bakel en Milheeze vormt, woonde het Tjongervolk. De naam komt van het Friese riviertje De Tjonger, waar werktuigen van hen gevonden zijn. Uit vondsten ten oosten en noorden van Milheeze blijkt, dat deze prehistorische mens ook in deze omgeving woonde. Uit archeologische vondsten valt af te leiden dat het hier gaat om een periode waarin vuursteen de grondstof bij uitstek was voor het vervaardigen van gereedschap en wapens, getuige de gevonden pijlpunten, vuistbijlen, pijlpunten, mesjes en dergelijke. Een zeer belangrijke ontdekking was die van voorwerpen en de daarbij behorende afslagen – afval - bij een vennetje langs de Bakelsedijk. Het afval wijst erop dat de gereedschappen ter plekke gemaakt zijn. Het gebied rond Bakel moet er in die tijd heel anders hebben uitgezien dan nu. Het enorme moerasgebied van de Peel is, naar wordt aangenomen, pas na het vertrek van het Tjongervolk ontstaan. Wanneer er toen – om welke reden dan ook – nieuwe bewoners zijn gekomen, is niet met zekerheid te zeggen. We weten dat zij er leefden in de IJzertijd, een periode die doorloopt tot omstreeks het begin van onze jaartelling. De aanwezigheid van de Romeinen in de streek is bewezen door de vondst van munten in het centrum van Bakel. De plaatsnaam Bakel komt de eerste keer voor in een akte uit 714/715. Het bewijs hiervoor staat in een afschrift van een akte, opgenomen in het zogenaamde "Liber Aurus Epternacensis" (het gulden boek van de abdij van Echternach) van eind 12e eeuw. De akte was opgemaakt in Bakel ("Bagoloso" in die tijd). In 721 werd Bakel opnieuw genoemd in het afschrift van een akte opgenomen in hetzelfde gulden boek. Volgens die akte schonk toen een zekere Herelaef, zoon van Badagar, zijn moerderlijk erfdeel "in loco de Baclaos" (in de plaats Bakel), bestaande uit herenhuis en hof plus enkele goederen in Deurne en Vlierden, aan een kerk in Bakel. Deze kerk werd beheerd door bisschop Willibrordus. Later werd diens naam als patroonheilige aan de kerk verbonden. Dat deze heilige een belangrijke rol heeft gespeeld in de kerkelijke ontwikkeling van Bakel en omgeving, blijkt uit de mate waarin de herinnering aan hem levend is gehouden. Hij is de patroonheilige van de parochies Bakel en Milheeze en stond afgebeeld op het gemeentewapen van Bakel. De in 1572 gebouwde standaardmolen en een basisschool in Bakel zijn naar hem vernoemd. Ook het Bakelse gilde, opgericht in 1296, draagt zijn naam als die van zijn beschermer. Bakel is lange tijd het centrum van het geestelijke leven voor de wijde omtrek geweest. De Bakelse kerk fungeerde als moederkerk voor Deurne, Milheeze en Gemert. Gemert werd in 1437 een zelfstandige parochie. Na het sluiten van de Vrede van Munster in 1648 kwam Bakel onder het bewind van de protestantse Republiek der Verenigden Nederlanden. Vanaf toen mochten alleen nog gereformeerden openbare ambten bekleden. De katholieke godsdienst werd verboden. Kerken, pastorieën en andere bezittingen werden in beslag genomen. In 1672 kwam de Republiek in oorlog met Frankrijk, Engeland, Keulen en Munster. De komst van de Franse troepen –ze zouden blijven tot 1674- gaf de katholieken weer meer godsdienstvrijheid. Zij maakten daarvan gebruik door overal schuurkerken op te richten. Zo ook in Bakel, de schuurkerk daar bleef in gebruik tot 1818. Anderhalve eeuw nadat de protestanten de katholieke kerk in bezit hadden genomen, eiste de parochie Bakel haar terug. In 1818 werd hun wens vervuld en kon de kerk weer voor de eredienst in gebruik worden genomen. In de 18e en 19e eeuw liep het inwonertal van Bakel sterk terug. De over het algemeen arme boeren die her en der verspreid woonden, hadden het op de schrale, weinig vruchtbare gronden, bijzonder moeilijk. Hierin kwam echter verandering toen het kunstmest werd uitgevonden. De overheid die zich aanvankelijk weinig van de plattelandsbevolking aantrok, zorgde nu voor een beter afvloeiingssysteem. Hierdoor konden heidevelden en moerasgebieden tot vruchtbare akkers worden getransformeerd. Peeldorpen als Elsendorp en De Rips konden mede hierdoor ontstaan. Eeuwenlang is het bestaan van de bevolking van Bakel minstens even armzalig geweest als dat van de andere dorpen op de schrale zandgronden van Peelland. De voornaamste middelen van bestaan waren het gemengd bedrijf en de verkoop van turf. Na de Tweede Wereldoorlog is Bakel meer en meer een forensengemeente geworden. De beroepsbevolking reist voor een groot vanuit Bakel naar hun werkadres. De agrarische sector neemt nog steeds een belangrijke plaats in in het economische leven in de gemeente Gemert-Bakel. |